Kip (hfdstk 3 Witlof)
Dit is het derde hoofdstuk van een verhaal met de werktitel Witlof (voorheen Van A naar B en Geen Vangrail). De eerdere hoofdstukken staan onder deze post.
Wortels, doperwtjes, kleine ronde gebakken aardappeltjes en iets dat op kip nuggets lijkt. Gele saus erover, heerlijk gegeten vanavond. De dame die het brengt heet Shannique. Ook zij noemt me Bert. Als ze het blad met lege schaaltjes weer op komt halen, vraag ik haar of ze Jan-Willem kan roepen.
‘Jan-Willem is al naar huis, vanavond sta ik op deze afdeling. Waarom wilde u hem spreken.’
‘Ik wil mijn paspoort nog eens zien. Ik denk dat jullie je vergissen.’ Ik wenk Shannique dichterbij. Haar lange donkere krullen raken het laken. Ik fluister: ‘Misschien heet die man hier tegenover wel Bert.’ Bij mij klopt die naam niet. Ik kan geen Bert zijn.
‘Ik snap dat u nog in de war bent, meneer Vanger. Het gaat wel weer goed komen, zeker nu u weer bij bent. Bovendien heeft u zojuist heel goed gegeten, zie ik.’
‘Ik durf het hem niet te vragen, want hij ziet er niet zo best uit. Zijn gezicht is helemaal beschadigd en hij heeft nog geen woord gezegd.’
‘Meneer Vanger, die man hiertegenover heet inderdaad Bert. Kijkt u eens goed, zwaait u anders even.’
Wie denkt ze wel dat ze is, ik ga toch niet als een klein kind naar een vreemde… Shannique zwaait naar de man en naast de man zwaait Shannique terug. Fok. Fokerdefok fok fok. Het gaat niet goed met die man, met Bert, met mij.
‘Het voordeel van je goede herstel is dat u morgen naar een zespersoonskamer zal worden overgeplaatst. Dan heeft u direct ook wat aanspraak.’
Die avond speel ik kat en muis met de man in de spiegel. Ik wil hem niet zien en kijk uren naar zijn gebutste hoofd, waarin ik ondertussen de man uit het paspoort in herken.