dinsdag 13 maart 2012

Kip (hfdstk 3 Witlof)

Dit is het derde hoofdstuk van een verhaal met de werktitel Witlof (voorheen Van A naar B en Geen Vangrail). De eerdere hoofdstukken staan onder deze post.

Wortels, doperwtjes, kleine ronde gebakken aardappeltjes en iets dat op kip nuggets lijkt. Gele saus erover, heerlijk gegeten vanavond. De dame die het brengt heet Shannique. Ook zij noemt me Bert. Als ze het blad met lege schaaltjes weer op komt halen, vraag ik haar of ze Jan-Willem kan roepen.
‘Jan-Willem is al naar huis, vanavond sta ik op deze afdeling. Waarom wilde u hem spreken.’
‘Ik wil mijn paspoort nog eens zien. Ik denk dat jullie je vergissen.’ Ik wenk Shannique dichterbij. Haar lange donkere krullen raken het laken. Ik fluister: ‘Misschien heet die man hier tegenover wel Bert.’ Bij mij klopt die naam niet. Ik kan geen Bert zijn.
‘Ik snap dat u nog in de war bent, meneer Vanger. Het gaat wel weer goed komen, zeker nu u weer bij bent. Bovendien heeft u zojuist heel goed gegeten, zie ik.’
‘Ik durf het hem niet te vragen, want hij ziet er niet zo best uit. Zijn gezicht is helemaal beschadigd en hij heeft nog geen woord gezegd.’
‘Meneer Vanger, die man hiertegenover heet inderdaad Bert. Kijkt u eens goed, zwaait u anders even.’
Wie denkt ze wel dat ze is, ik ga toch niet als een klein kind naar een vreemde… Shannique zwaait naar de man en naast de man zwaait Shannique terug. Fok. Fokerdefok fok fok. Het gaat niet goed met die man, met Bert, met mij.
‘Het voordeel van je goede herstel is dat u morgen naar een zespersoonskamer zal worden overgeplaatst. Dan heeft u direct ook wat aanspraak.’

Die avond speel ik kat en muis met de man in de spiegel. Ik wil hem niet zien en kijk uren naar zijn gebutste hoofd, waarin ik ondertussen de man uit het paspoort in herken.

donderdag 1 maart 2012

Romp (Van A naar B, hfdst. 2)

Dit is het tweede hoofdstuk van een verhaal met de werktitel Van A naar B (voorheen Geen Vangrail). Het eerste hoofdstuk staat onder deze post.

Jan-Willem wikkelt het verband van mijn hoofd. Heerlijk om weer lucht rond mijn haren te voelen. ‘Mooi zo, het gat is nog een klein beetje open,’ zegt hij. Of denk ik dat? Hij tilt het deken en het laken op en pakt mijn benen beet. Mijn benen zijn gevoelloos. Groot is hij niet, maar zonder al teveel inspanning tilt hij me bij mijn benen op uit bed. Ik hang ondersteboven naast het ziekenhuisbed. Mijn armen slap langs mijn hoofd. Jan-Willem draagt paarse plastic klompen. Hij schudt en ik voel een glibberige massa langs mijn hoofd op de grond druppelen. Langzaam loop ik leeg.

‘Mooi zo, het gat is nog maar een klein beetje open,’ zegt Jan-Willem. Ik lig in bed en vraag me af of ik mijn geheugen al weer terug heb. Hij pakt een nieuw verband en wikkelt het rond mijn hoofd. ‘Ik dacht even dat we je weer kwijt waren. Maar je was enkel een kwartiertje out.’
Een kwartier weg is blijkbaar niet genoeg. Ik herinner me dat Jan-Willem over mijn vrouw en kind vertelde. Wat moet ik met een vrouw en kind als ik er zo aan toe ben? Wat moeten zij met mij? Wat heb je aan een naamloze romp met armen en een hoofd met een gat erin?
‘Je vrouw en dochter zullen pas morgen komen. We hebben ze in verband met je geheugenverlies even afgebeld. Eerst zal de dokter en een specialist langskomen om vast te stellen in welke mate je geheugen is aangetast en hoeveel nieuwe impulsen je aankan.’
‘Prima, van mij part komen ze volgende week. Begrijp me niet verkeerd, ik vind belangstelling fijn, maar dan wel van mensen die ik ken. Zijn mijn vader en moeder gebeld?’
‘Ik neem aan dat je vrouw ze ingelicht heeft. Wil je dat ik dat vraag?’
‘Ja, is goed.’

‘Jan-Willem, ben ik nog steeds hardop aan het denken?’
‘Dat denk ik niet, maar dat weet ik niet zeker, want ik weet niet of de dingen die je zegt dingen zijn die je wilt zeggen of in feite gedachten zijn.’
‘Huh?’

‘Laten we het uitproberen. Jij zegt zonet ‘huh?’. Was dat hardop bedoeld?’
‘Ik geloof het wel.’
‘Probeer nu eens ergens aan te denken zonder het hardop te zeggen.’
‘Je bedoelt gewoon ergens over.’
‘Over het weer of over de wedstrijd van gisteren.’
Ik heb nog helemaal niet naar buiten gekeken, hoe moet ik dan een gedachten over het weer kunnen hebben.
‘O, dat is een stomme suggestie van mij, je hebt natuurlijk helemaal die wedstrijd gisteren niet gezien. Maar kijk eens uit het raam en bedenk wat je met dit weer graag zou willen doen.’
Het oogt droog en ietwat donker. Misschien komt er een bui aan of loopt het tegen de avond.
‘Heb je al een gedachte gehad?’
‘Ja, maar niet echt wat ik zou doen. Hoe laat is het eigenlijk?’
‘Het gaat er niet om wat je denkt, maar dat je denkt en om het feit dat ik je niet gehoord heb, wat zo is.’
‘Dat is mooi. Een verbetering zelfs, maar hoe laat is het nou en welke dag?’
‘Het is maandag 15 januari 2012, half vijf in de middag. Je avondeten komt over een half uurtje.’